De opkomst van hopbier

Een hoppeveld te Assebrouck?
Toen we in het ´Woordenboek der toponymie van Westelijk Vlaanderen´ van Karel De Flou (18), de woorden ´hommel´ en ´ommel´ opzochten; vonden we het woord ´ommelbrouck´ dat werd beschreven als ´Een leengoed en tevens eene landerij van 57 gemeten grootte, te Assebroucke en Oostcamp.´
De eerste vermelding als ´ommelbroec´ dateert uit 1302! (rekening Brugge). Ook de daarop volgende jaren stond dit broek vermeld in de rekening. In het jaar 1306 wordt het daar dan ´hommelbrouck´ genoemd.
Karel De Flou vermeldt ook het woord ´ommelstic´ wat een stuk land is, ook al te Oostkamp. De eerste vermelding hiervan dateert uit 1330. ´In Masins ambacht, Aergheem weghe, Capoens poten, Ommelstic, Morter ende lisschemorter… (Bog. 215)
In 1336 spreekt men van ´hommelstic´ voor hetzelfde veld.

Hoewel een ´hommelbroek´ nogwel een natte plaats zou kunnen zijn waarin wilde ´hommel´ groeit, kan een ´hommelstic´ bijna niets anders zijn dan een hoppeveld.
Hebben we hier één van de oudste vermeldingen van een hoppeveld?
Of zou dit woord hier toch nog een andere betekenis kunnen hebben?

De eerste rekening (6) die volledig bewaard gebleven is van het graafschap Artois dateert uit de jaren 1303 - 1304, het jaar na de Gulden Sporenslag te Kortrijk. De Vlamingen hielden ten andere nog huis in de streek en vernielden heel wat. Uit deze rekening kunnen we een paar gegevens halen omtrent het bier en de bierhandel.
In dat jaar werd te Saint-Omer - post 145 - de cijns op het brouwsel verpacht aan de heer Henri le Crekemacre aan 55 ponden per jaar. De man diende nog 18 ponden 6 schellingen en 8 deniers te betalen voor de laatste trimester van het voorgaande jaar.
In Calais - post 1397 - werd de ´cervoise´ en de ´goudale´ die uit Engeland kwam, belast met 2 denier. Hier kreeg - post 1419 - Simon Pauwel 60 schellingen boete omdat hij gebrouwd had tegen ´het statuut´. Hij was niet alleen. Ook Robert Roussel en Jehan Pauwel kregen dezelfde boete.
De heer Jehand Snouk en de heer Gillet, de bediende van meester Willaume Meddeblandere, betaalden elk, 60 schellingen voor het brouwen van één brouwsel.
De heren Lai Tourment, Willaume de l´Espinoite, Simon Froiard, en de heren Simon en Jehand Pauwel, kochten zich de toelating om bier van 3 deniers, te brouwen voor een jaar. Dit kostte hen elk 18 ponden per trimester.
Dit waren dus echte brouwers. Er is dus sprake van ´professionalisering´.

Vanaf de veertiende eeuw kregen we in de Nederlanden een belangrijke verandering.
Gruitbier vond steeds minder aftrek en steeds vaker dronk men hopbier. (2)
Reeds in 1321 kregen de brouwers van Rijnland, Kennemerland en West-Friesland, toestemming van de graaf van Holland Willem III om hopbier, naar Hamburgse receptuur, te brouwen en te tappen.
´In poirten, jof daer buten´ mits ´si daerof gheven van elken hoede mouts hoir gheld also groet als sijt gheven souden van anderen biere, die si mit grute bruen souden.´
Eén en ander leverde de graaf vijf jaar later - 1326 - al een twist op tusen de burggraaf van Leiden en de schout in die stad.
´Omme thoppene bier dat men dair brouwede, daer him (de bruggraaf) dochte dat hi vermindert was van zine gruyte´.
De man zag dus zijn gruit- inkomten dalen. Daarom besliste onze Willem III dan ook dat;
´Dat soe wie voorwaerd mee die gruyte te Leiden houden zal, die zal houden beyde; hoppe ende gruyte´ en voor de hop diende men evenveel te betalen als voor de gruit voor eenzelfde hoeveelheid bier.
Hetzelfde jaar - 1326 - kreeg Willem III tevens dezelfde klacht van de Vrouwe van Voirne en de Borchbrave tot Leyden maar dan in verband met Delft. Willem III beslist hier dat de poorters van Delft :
´also vele gelts senden int gruythuys om hoppe als si gelts souden senden om grute van evenveel biers…´ en dat de poortes zoveel hop moet worden geleverd als zij nodig hebben.
Eigenaardig genoeg woonde er in 1326 reeds een Jacob Hoppe te Ieper.

In de keure van Hazebroek, (10) een nu Noord-Frans stadje, niet zo ver van Poperinge werd in 1336 opgesteld. Daar komt het volgende artikel in voor: artikel 99 - echter dat niemene vercope bier ende keute te gadere, up ene boete van xx sch. Het ne waere in de vrie feeste -
of - voorts dat niemand, tenzij gedurende de vrije jaarmaekt, bier en keyte tegelijk verkope, op een boete van 20 schellingen.
Hierbij werd dus onderscheid gemaakt tussen ´keyte´ en ´bier´.
Het Hollandse ´keyt´ bier of ´koyt´ bier werd voornamelijk in Haarlem, Gouda en Leiden gebrouwen en was een middeleeuws gruitbier. Het werd gebrouwen - volgens een stadsrecept uit 1407 - uit speciale gerste- en tarwemouten, haver en zuiver water. Daarbij werd het gruit gevoegd dat bestond uit gagel, rozemarijn, duizendblad, laurierbessen en salie.
Het gewone ´bier´ zal hopbier geweest zijn.
Volgens het artikel 99 van de keure, was het dus niet toegelaten om hopbier en keytbier samen te verkopen. Men had blijkbaar schrik dat men het duurdere bier met het goedkopere zou wisselen of bier zou gaan mengen.
In deze keure is er echter geen enkele vermelding aanwezig van hoppeteelt in de streek.

In Brugge - toen een wereldstad met 50.000 inwoners - diende de heer Jan van Gruuthuuse in 1351 een klacht in tegen ´ene Catherine de Rode uit de Rosenstraete, dat sij bier tapte, dat men heet hoppenbier, dat gebrouwen was met een ander grute danne minen heer Jans grute´.
De familie Gruuthuuse, die rijk geworden was van de verkoop van grute en het pachten van het gruutrecht, kon niet dulden dat zijn monopolie-opositie aangetast werd.
Het gruutrecht werd in deze periode meer en meer in pacht gegeven aan de opkomende steden.

De hijskraan in Brugge.
Hier worden er biertonnen afgeladen terwijl de keurmeesters de kwaliteit ervan proeven.
Op de ton ligt een hopperank.

De bisschop Jan van Luik en Utrecht beklaagde zich bij keizer Karel IV (1347 - 1378) dat sedert 30 - 40 jaar, ingevolge het bijvoegen van een nieuw kruid ´humulus of hoppe´ bij het bier, zijn ontvangst van gruitgeld zeer verminderd was. Hij bekwam in 1364 van de graaf de toelating om op elk vat hopbier 1 stuiver accijns te heffen. (5)

In het hertogdom Brabant, verlieten de eerste hopbieren in 1365 de brouwerijen.
Het jaar daarop werd er reeds hop vervoerd over de haven van Antwerpen.

In de tolrekening - van den borchwerk - van de haven van Antwerpen die begonnen was ´up den XIII dach van hoymaent´ 1366 en op de handel van Mechelen naar Antwerpen sloeg (123) staat het volgende: … item Heynric van Eppeghem, 1 ½ sac hoppen, 5 d. gr….
Het jaar daarop in 1367 lezen we: … Item Heynout van Eppegaem, van hoppen, 12 d gr, bi Jan Clays sone…
De kans zit er dik in dat Heynric en Heynout - van Eppeghem of -gaem, broers van elkaar waren en dat de waar naar Dordrecht werd vervoerd.
Dat er in de 14de eeuw er ook in West-Vlaanderen ´hoppebrouwers´ waren, blijkt ook uit het signalement van de heer ´Clais den Hoppenbrauwere´ die in 1369 te Kortrijk woonde.

In Gent wordt er gewag gemaakt van de hophandel in verordeningen van het schependom in het jaar 1372. Daarbij besloot de keizer Karel IV dat er na zonsondergang en voor zonsopgang geen hop meer mocht geladen of gelost worden op de boten.
Actum quarta die maij 1372.
Voort dat niemen hoppe hut scep en doen voor de sonne no na de sonne up boete van X pond en ´t goed verbeurt.

De invoer van het hoppebier was in deze tijd enorm. Het kwam vooral uit Delft en Haarlem in Nederland en uit het Duitse Hamburg. In 1376 werkten in Hamburg 230 brouwers voor de export die uitvoerden naar het huidige Nederland met als belangrijkste haven Staveren, Kampen en Amstelredam en naar Vlaanderen met als belangrijkste haven Brugge. (2)
In het jaar 1388 werd er 12.000 ton Delfts bier naar Brugge verscheept.

In 1379 kreeg de stad Venlo, het recht op de gruit voor een bedrag van honderd oude schilden, maar tevens kreeg de stad ook het recht om hopbier te brouwen.
Hertog Wensceslas van Brabant liet in dat zelfde jaar toe dat bier met hop werd gebrouwd op voorwaarde dat de gruit-taks vervangen werd door een hopaccijns. (11)
Tegen het einde van de veertiende eeuw bezat bijna elke stad het recht om hopbier te brouwen en daarop accijns te heffen. (2)
Het laatste bericht over gruit komt uit Den Bosch, waar gruit tot in 1643 gebruikt werd.
Dit neemt niet weg dat er particulier of in beroerde tijden nooit teruggegrepen werd naar kruiden om daarmee bier te brouwen.

Een kogge zoals ze te zien is op de site van ´De Kamper Kogge´ - een prachtige site!
Met dergelijke schepen werden uit de Noord-Duitse steden en later ook uit Nederland het hopbier naar Vlaanderen gebracht.


http://users.pandora.be/stimulans/hommel/opkomstva