Wellington brouwerij te Oostende

Voor het volledige artikel zie het winternummer van DOB 2008 (jan. 2008).

De brouwerij Wellington in Oostende, een moeizame start.


Van de ongeveer twintig bierbrouwerijen die Oostende in het begin van de twintigste eeuw kende, was kort vóór de Tweede Wereldoorlog enkel nog de CALDER’S BELGIAN AGENCIES N.V. in de Frans Musinstraat operationeel .

De brouwerij was sinds de jaren 1920 eigendom van James Calder & Cie Ltd en bleef in bedrijf tot omstreeks 1950. Calder’s Belgian Agencies was ondermeer bekend voor zijn Milk Stout, Calder en Calder’s Ale.
Aan de basis van de brouwerij lagen evenwel de gebroeders Casteleyn, die in 1903 op de hoek met de Wellingtonstraat een stoombrouwerij lieten bouwen. Door zijn locatie kreeg de brouwerij de roemrijke naam ‘WELLINGTON’ mee .

De realisatie van het bouwproject liep evenwel niet van een leien dakje. Hevig protest van buurtbewoners onder leiding van Cyrille Voordecker, die in de F. Musinstraat woonde, zorgde immers voor een tijdelijke opschorting van de bouwvergunning die de stad Oostende in september 1902 had afgeleverd.
In november 1902 sprak de Bestendige Deputatie zich in beroep eindelijk uit ten gunste van de gebroeders Casteleyn.



De bezwaren van de heer Voordecker en zijn medestanders werden als al te overdreven ervaren, maar leidden voor de bouwheer wel tot een verzwaring van de bouwvoorschriften.
Zo stelde de Deputatie in haar arrest dat de schoorsteen minimum achtentwintig meter hoog moest zijn. Om een minimale rookontwikkeling te realiseren werd de eigenaar bovendien verplicht om uitsluitend met cokes te stoken.

Vervolg blz 14 – Brouwerij Wellington

De stoommachine, de roerkuip en de brouw- of bierketel dienden geïnstalleerd op de tweede verdieping en de brouwzaal (met de roerkuip en brouwketel) moest voorzien worden van een goede ventilatie. De dampen afkomstig van de brouwketel moesten boven de brouwerij met een luchtkoker afgevoerd worden en de roerkuip moest met een deksel afgedekt worden.
Tijdens de brouwactiviteit mochten de ramen van de tweede verdieping noch die van de eerste verdieping, waar het koelschip zich bevond, aan de zijde van de F. Musinstraat opengezet worden. Voorts dienden zowel de vloer van de paardenstallen als de brouwerijkoer ondoordringbaar gemaakt en voorzien van een goede afvoer van water en andere vloeistoffen. Tevens werd expliciet gesteld dat de paardenstallen en de koer regelmatig moesten gereinigd worden en dat de draf, de paardenmest en andere verrottende afvalproducten dagelijks dienden afgevoerd.
Voor de ventilatie van de paardenstallen moesten doorheen het dak luchtkokers voorzien worden. De stalmuren dienden minstens eenmaal per jaar witgekalk te worden.
Niet naar aanleiding van het buurtbewonersprotest maar uit sociale overwegingen legde de Deputatie tot slot ook nog als enkele veiligheidsmaatregelen op.
Zo dienden alle noodzakelijke voorzorgen genomen om de brouwersknechten te behoeden voor ongelukken met de machines en het gehele aandrijvingssysteem. Tevens werd geëist dat de venster- en deuropeningen, langswaar het laden en lossen van de handelswaren gebeurde, de trapopeningen en de openingen in de plankenvloeren van leuningen werden voorzien.
Tot slot kregen de gebroeders Casteleyn de opdracht hun bouwplannen aan deze supplementaire voorwaarden aan te passen en werd hun een termijn van zes maanden gegund om hun bouwproject te realiseren. Daar deze extra voorwaarden geenszins onoverkomelijk waren mag aangenomen worden dat de gebroeders Casteleyn de bouwwerken onverwijld lieten opstarten. Als aannemer werd stadsgenoot Auguste Rayée uit de Torhoutsesteenweg aangesteld.
Uit de plannen die bij de bouwaanvraag waren gevoegd, blijkt dat de nieuwe brouwerij geconcipieerd was als cascade-brouwerij.
Op de zolderverdieping van de vier (weliswaar niet allemaal volwaardige) bouwlagen tellende brouwerij werd de mout bewaard.
Op de derde verdieping werd de mout geplet in een cilindermolen om van daaruit via de tremel in het plafond in de roerkuip op de tweede verdieping te worden gegoten.
Voor de aandrijving van deze moutbreker zorgde de stoommachine, die eveneens op de tweede verdieping opgesteld stond. De warmwaterketel, voor de aanvoer van warm, bijna kokend water, nodig voor het beslaan van de geplette mout in de roerkuip, bevond zich op de derde verdieping. De koudwaterbak stond eveneens op deze verdieping opgesteld, zij het omwille van het cascade-systeem ietwat hoger dan de warmwaterketel.
In de brouwzaal bevond zich naast de roerkuip bevond ook de brouw- of bierketel. Na het beslag werd de wort in deze ketel gekookt met hop. De draf, het bezinksel dat na het beslaan in de roerkuip achterbleef, gooide men niet zomaar weg maar werd verkocht als veevoeder, vermoedelijk aan landbouwers uit het achterland van de stad.
In het koelschip op de eerste verdieping werd de wort na de hopkoking gekoeld tot ongeveer 14° C. De brouwsels, die de brouwerij Wellington met zijn initiële uitrusting brouwde, betroffen immers bier van hoge of bovengisting.
Op de gelijkvloerse verdieping bevond zich de gijl- of gistkuip, waar de gehopte wort, eenmaal voldoende afgekoeld, met biergist aangemengd werd. De effectieve gisting gebeurde tot slot in de gistingskelders, die zich samen met bewaarkelders op het niveau –1 bevonden.
In welke mate de stoombrouwerij zich daarna verder ontwikkelde en hierbij inspeelde op nieuwe evoluties zoals de overschakeling op lage gisting, valt buiten het bestek van deze kleine bijdrage tot de Oostendse brouwerijgeschiedenis. Verder onderzoek is daartoe geboden.
Frank BECUWE, Conservator Mout- & Brouwhuis de Snoek, Alveringem


Dit stukje biercultuurproza werd aan de redactie geleverd via Rik Vernack.
Als bijdrage in dit item heeft onze voorzitter Johan het bewijs aangegeven dat op de plaats van de oude brouwerij nu een appartementgebouw staat op naam van Dhr Raoul Bonnel.
Wie nog zo’n meldingen heeft over brouwerijen in de kuststreek mag deze gerust mailen naar onze redactie. (wacho)