Op een mooie zomerdag..

De fietstocht van vijftien juni was een verfrissende kennismaking met het achterland van Oostende. We vertrokken vanuit De Vlasschaard, door de Keignaertpolders, langs de oude spoorwegroute en dan via Moere tot in Koekelare waar we stipt om 14h00 toekwamen.

De zon brand fel en stookt de lucht tot een vervaarlijk ozonniveau, dat ons echter niet schijnt te deren. We zijn wel gelukkig een tijdje te kunnen verpozen in ’t Kroegje in de Dorpsstraat, waar de kilte ons doet afkoelen. De Willemsfondsen Koekelare en Oostende organiseren na het middagmaal van hieruit een museumbezoek. De maaltijd duurt wel nog tot 16h00... Nog maar eens een bewijs dat Vlamingen Breughelianen zijn, en voor een goed middagmaal hebben zij dus bijna vier uren nodig. Wij drinken dan maar Rodenbach en keuvelen over fietsen, De Bierjutterij, soorten bier,...

Onze museumtocht begint in de inkomsthal van oud-brouwerij Christiaen, gekend van het Kookla-bier, dat niet meer bestaat, maar waar nu nog de naam Couckelaerschen Doedel (brouwerij Strubbe) ons nog aan herinnert. Ook een bottelmachine doet ons nog aan de vroegere brouwerij denken.
Niet alleen herbergt de oud-brouwerij twee musea, een café, een restaurant en een vergaderzaal, maar ook een bibliotheek en de gemeenteraadszaal. Het is dus een functioneel ingerichte industrieel-architectonische renovatie.
Gids Raf Seys vertelt ons op een emotionele manier over de kunstwerken van Kathe Kollwitz, die op twee verdiepingen staan. Kathe Kollwitz is ons vooral bekend van het grafmonument op het kerhof van Langemark, maar zij was niet alléén een begenadigde beeldhouwster, zij was ook een uitstekende tekenares. Om de werken op het tweede verdiep te zien, moeten we op een ladder. We komen in een soort zolder (de oude asttoren van de brouwerij), waar er etsen van Kollwitz opgehangen zijn. Nog meer aangedaan, verhaalt Raf ons over de zonen van deze moeder, die zoals zo veel andere Duitse moeders, haar zoons verloor in beide Wereldoorlogen.
Vervolgens gaat het naar het Museum van de Fransman. Hier wordt via documenten en foto’s het leven van de grensarbeiders belicht. Deze mensen trokken jaar na jaar uit deze streek om in het Noorden van Frankrijk bieten te gaan trekken, tot machines hen uiteindelijk overbodig maakten. De laatste overlevende is enkele jaren geleden op gevorderde leeftijd overleden en hiermee is dit ras van noeste Flandriens uitgestorven. Persoonlijk vind ik dat men van dit museum veel meer zou kunnen maken. Bijvoorbeeld over de geschiedenis van het fenomeen van de grensarbeid uit de streek. Is er altijd grensarbeid geweest of is het uitsluitend een fenomeen van de negentiende en de twintigste eeuw? Was het altijd naar dezelfde streken in Frankrijk? En waarom niet naar Engeland? Had de grensarbeid ook een industrieel karakter of was er enkel een stroom van landarbeiders?
Ik vergeet dan nog een klein, maar mooi museum van de ons welbekende Oostendse (geboren te Moere?) kunstenaar Yves Rhayé (1936-1995), die zijn jeugd tijdens de oorlog doorbracht in het kasteel van Moere. We kennen Yves Rhayé nog van Den Dobber 8.1, in het artikel over La Chèvre Folle, met zijn expositie en het gitaarrecital met Tony Gérard.

We besluiten onze namiddag op het zwoele terrasje van het Tennisclubcafé van Koekelare. We doen een nabespreking en denken luidop over de mogelijkheid aan ons aangeboden wordt door Raf Seys om een speciaal nummer te maken over de etiketten van brouwerij Christiaen, met bijkomende uitleg. De voorzitter van het Willemsfonds Oostende, de heer Stefaan Brusseel, peilt voorzichtig naar het doel van onze vereniging en vraagt indien wij desgevallend bereid zouden zijn om een voordrachtavond over bierproeven te geven. Waarna wij even voorzichtig een aantal van onze tijdschriften uitdelen aan de geïnteresseerden. We proeven van de Couckelaerschen Doedel. Er wordt met de leden van het Willemsfonds nog gediscuteerd over goede en minder goede bieren.

We besluiten om te vertekken en rijden langs café Het Hemelsbreed Verschil op de marktplaats. Een café met dezelfde naam als een verdwenen oostends etablissement. Koekelare is een rustige plaats om te wonen, mijmeren we. We rijden langs het kasteel dat vroeger van de familie Rhayé was en stoppen op de spoorwegroute aan het café Het Routekotje, waar we het lekkere ijs eten en genieten van een Hapkin. Joris en Rik delen hun ideeën uit over de geuzeproeverij in Buggenhout, waar zij drie weken voordien waren. We kunnen het ook niet laten om het Trappistenfestival van onze goede vriend Gino van De Bierkaai aan het kanaal te Snaaskerke aan te doen. We drinken er van een grote fles Westmalle Tripel. Rik gaat er ook rond met een aantal petities voor de Red Oud Beersel-aktie. Eén van de ondertekenaars blijkt een oud-frigorist te zijn die héél wat werken uitvoerde in brouwerijen.
We kruipen terug op onze stalen rossen en trappen door de wijdse polders achter Stene, waar we uiteengaan in de dorpskom; ons vertrekpunt. (FDS)